Tweede fase
De kandidaat die eindexamen vwo of havo heeft afgelegd, is geslaagd:
a. indien het rekenkundig gemiddelde van zijn bij het centraal examen behaalde cijfers ten minste 5,5 is,
b. indien hij: 1°. voor al zijn vakken waarvoor een eindcijfer is vastgesteld, als eindcijfer 6 of meer heeft behaald, 2°. voor één van zijn vakken waarvoor een eindcijfer is vastgesteld, als eindcijfer 5 en voor de overige vakken waarvoor een eindcijfer is vastgesteld, als eindcijfer 6 of meer heeft behaald, 3°. voor één van zijn vakken waarvoor een eindcijfer is vastgesteld, als eindcijfer 4 en voor de overige vakken waarvoor een eindcijfer is vastgesteld, als eindcijfer 6 of meer heeft behaald, en het gemiddelde van de eindcijfers tenminste 6,0 bedraagt, dan wel 4°. voor twee van zijn vakken waarvoor een eindcijfer is vastgesteld, als eindcijfer 5 heeft behaald dan wel voor één van de vakken waarvoor een eindcijfer is vastgesteld als eindcijfer 4 en voor één van deze vakken als eindcijfer 5 heeft behaald, en voor de overige vakken waarvoor een eindcijfer is vastgesteld, als eindcijfer 6 of meer heeft behaald, en het gemiddelde van de eindcijfers tenminste 6,0 bedraagt;
c. indien geen van de eindcijfers van onderdelen van het combinatiecijfer lager is dan 4, en
d. indien de vakken culturele en kunstzinnige vorming en lichamelijke opvoeding zijn beoordeeld als «voldoende» of «goed».
Voor gedetailleerde informatie over de berekening van het rekenkundig gemiddelde zoals bedoeld in a., zie ook: http://www.rijksoverheid.nl/onderwerpen/voortgezet-onderwijs/vraag-en-antwoord/wanneer-ben-ik-geslaagd-voor-het-eindexamen-havo-of-vwo.html#anker-slagen-en-zakken-in-de-tweede-fase
Voor de huidige HA4-, VW4- en VW5-klassen geldt bovendien dat een leerling voor de zogenaamde basisvakken (NE, EN, WI) maximaal één vijf mag hebben als eindcijfer. |